Skip to content
Dit is mijn portfolio.

Bio

Welkom op mijn website. Ik ben Dion Daniël Alexander van Alem, geboren op een warme zomerdag in 1983 als 2,5 jaar jongere broertje van Julian. Na mijn geboorte kwam ik geheel onvrijwillig op de couveuse terecht. Ik was al snel scherp aan het observeren, want als enige stak in mijn hoofd omhoog om de situatie eens goed in me op te nemen. Als peuter én kleuter was ik druk, eigenwijs en vaak boos op van alles en nog wat. Al jong bouwde ik een aversie op tegen champignonroomsoep. Tot op de dag van vandaag verdraag ik de geur niet en beschouw ik het als de puurste vorm van kwaad.

Ik ben opgegroeid met muziek, hoofdzakelijk uit de jaren ’80. In de auto werden bandjes gedraaid met nummers van Bronski Beat, Ph.D., The Smiths, The Pretenders en The Bangles. Als ik ‘Careless Whisper’ van George Michael hoor, denk ik nog aan mijn moeder die op zolder in Groesbeek aan het strijken was. Toen ik klein was zong ze ‘Karma Chameleon’ voor me. Niet dat ik me dat kan herinneren, want zo veel kan ik me niet herinneren, maar dat blijkt uit de overlevering.

Ik was nog geen 5 toen mijn ouders uit elkaar gingen en er een nieuwe tijd aanbrak van gespannen relaties. Groesbeek werd Molenhoek, waar ik de laatste 5 jaar van mijn basisschoolcarrière doorbracht. In de winter wilde het daar nog wel eens gebeuren dat leraren extra vroeg hun bed uitkwamen om het hele schoolplein onder water te zetten, zodat de leerlingen een ijsbaan hadden in de pauze. Als kind schat je zoiets niet op waarde, achteraf denk ik: mijn god, ik moet er niet aan denken dat ik voor een werkdag nog een ijsbaan sta te maken. Ik herinner me gelukkig weinig van de traditionele groep 8 musical waar ik een zeer beperkte rol in had. Dat jaar is tevens de laatste keer dat ik iets aan carnaval deed.

Mijn energie was in de tussentijd al aardig getemperd. De boze kleuter was een introverte jongen geworden die ook wel zichzelf kon vermaken. Het was de tijd van de Commodore Amiga computer. Spelletjes op floppies, bakken vol. De eerste tekst-naar-spraakfuncties die uitnodigden tot grappen en grollen. Denk aan een Engelstalige computerstem die een woord als ‘steenpuist’ probeert uit te spreken.

Ik had inmiddels al een klassieke gitaar gekregen voor een verjaardag en daar ging ik al los voordat ik één seconde les had gehad. Er werd gejamd met broer Julian, en soms ook met neef Rogier. Samen waren we de Perforators, met praktische improvisatienummers als ‘School’ en ‘Jas’. Later gingen we Engelstalig.

De creatieve muziekgeest kon niet wachten om uit de fles te komen, en met de eerste noten, akkoorden en Engelse woorden die ik kende brouwde ik al iets waar je je achteraf kapot voor schaamt. Maar het enthousiasme was er alvast.

Met het afsluiten van de basisschool kwam een nieuwe scheiding en een nieuw hoofdstuk op meerdere fronten. Met mijn moeder en broer verhuisde ik naar een gezellig flatje in Nijmegen, de enige stad die er destijds toe deed in mijn leven. Ik volgde mijn broer naar het Stedelijk Gymnasium, waar ik een vriend opdeed die ook iets muzikaals had. Als snel werd een nieuwe Lennon/McCartney gesmeed, onder de noemer Dog Bite. Een gitaar, een lullig speelgoedkeyboard en een ouderwetse radio met cassette en los dat we gingen. Het was me waardevol, en het ging jaren door tot er klappers vol met jeugdige liedjes bestonden en de vriendschap zomaar opdroogde.

Intussen schreef ook in mijn eentje veel liedjes, hoewel het tot 2000 duurde voordat ik bekend raakte met het concept van zelf CD’s branden en mezelf ging opnemen. Het hek was van de dam. Een nieuwe verhuizing binnen Nijmegen had inmiddels plaatsgevonden, naar een ruimer stekje waar de ruimte voor muzikale ontplooiing ook groter was. Een heuse zolder alwaar Dog Bite regelmatig sessies hield, en een degelijke computer die in alle andere gemakken voorzag.

Sociaal gezien was de spoeling dun. Het leverde pijnlijke situaties op die een wissel trokken op mijn levensvreugde. Eenzaamheid werd een thema dat breed uitgemeten werd in de muziek. Als ik nu terug luister of lees vind ik mezelf een verschrikkelijke zeurpiet, maar het moet toen echt zo gevoeld hebben.

Motivatie voor school was beperkt tot het bouwen op een vermogen om te improviseren. Na 5 jaarlagen was de koek op en bleef ik zitten, om in de voor mij geheel onbekende Tweede Fase terecht te komen. Ik verhuisde naar het ROC, waar men rekent op zelfstandigheid van de leerling. Het was niet altijd een succes en het kostte me dan ook twee jaar om te doen wat ik ook in één jaar had kunnen doen: een Vwo-diploma halen.

Het was geen toptijd voor me. Een depressie bekroop me en legde me verder lam. Dat werkte door tot een mislukt avontuur met een studie in Groningen, waar ik, weinig sociaal als ik was, wegkwijnde op een kamertje. Ik vond troost in de CD-winkels van de stad.

Onverrichterzake kwam ik thuis, met het besef dat hulp nodig was. Naast de vele extra uren die ik in mijn bijbaantje in de schoonmaak ging draaien, werkte ik aan mijn mentale gesteldheid. Ondanks negatieve ervaringen in dat proces en een aantal dieptepunten vond ik een basis om op door te bouwen. Blijkbaar was het allemaal nodig om verder te kunnen.

Na anderhalf jaar kwam het schoonmaken de keel uit en schreef ik me op de valreep in voor een universitaire studie. Ik wist niet goed wat ik wilde, dus koos ik een vak waar ik op de middelbare school goed in was: Engels. Tegelijkertijd liep ik tegen mijn eerste ervaringen met de liefde aan. Het kwam misschien te vroeg, voor ons allebei, dus het werd een leerschool die flinke sporen trok in voornamelijk mijn gevoel van rechtvaardigheid.

De studie verliep uitstekend, en mijn sociaal leven floreerde. Zonder al te veel haast en één foute keuze voor een scriptieonderwerp slaagde ik er in om mijn Master cum laude te halen. En toen kwam het zwarte gat.

Op de universiteit word je niet verteld welke kant je nu eigenlijk op kunt met je studie, en god mag weten dat ik nog geen seconde aan carrièreperspectieven had gedacht. Ik wist één ding: ik ga niet voor de klas. Net zoals ik ook geen publiek voor mijn muziek durf op te zoeken. Maar wat dan? Een beetje vertalen en zo? Probeer dan maar eens als introverte, niet al te zelfverzekerde, onervaren kracht op de arbeidsmarkt succes te boeken.

Intussen had de schoonmaakconnectie me al in 2008 een nieuwe liefde opgeleverd. Na een paar jaar over en weer forensen konden Jessie en ik gaan samenwonen. Met zelfstandigheid kwamen natuurlijk meer financiële verplichtingen.

De schoonmaak, of beter gezegd de kans op meer inkomen, lonkte weer en ik kwam terecht in een fulltime baan in het vloerenonderhoud. Het was mijn wereld niet, maar ik was niet te beroerd om het werk te doen, ook al viel het me soms zwaar. Ik hield het een kleine 2,5 jaar vol tot ik instortte.

Het inkomen had me inmiddels al de mogelijkheid geboden om Jessie mee te nemen naar Schotland en haar ten huwelijk te vragen. Zo geschiedde. Precies een jaar later, op 7 april 2014, stapten we in het huwelijksbootje. Een korte vakantie na de feestelijk afgesloten maanden van intensieve voorbereidingen legde bloot dat ik moe was, erg moe. Het ging niet over. Sterker nog, het werd zwaarder en zwaarder. In september gingen we op huwelijksreis, na een emotionele periode waarin we één van onze eerste huisdieren verloren. Het was heerlijk. Maar toen ik terugkwam in mijn werkomgeving viel de zware sluier van drukkende vermoeidheid weer over me heen. Opeens kon ik het plaatsen. Ik voelde dingen die jaren daarvoor ook al  gevoeld had. Een nieuwe depressie.

Ik voelde me bijzonder bezwaard, maar besloot toch aan de bel te trekken. Met steun en ruimte geboden vanuit mijn werkgever stortte ik me op een revalidatietraject waarin alle denkbare disciplines aan bod kwamen. Ik dacht: laat ik de kans grijpen om écht aan mezelf te werken. Maar het ging niet, het was veel te veel in één keer. Ondertussen vond ik dat ik mijn werkgever lang genoeg aan het lijntje had gehouden, en dat ik maar weer eens moest gaan opbouwen op het werk. Het probleem verdween niet. Ik bleef moe en gespannen.

Ondertussen werd ik bijgestaan door een loopbaancoach. Het was duidelijk dat ik het ergens anders moest zoeken, maar waar? Ik heb nu toch zo’n veilige vaste baan?

Toen bleek dat ik nog steeds ziek werd van mijn werk, smeedde de loopbaancoach een plan om mij te laten proefdraaien op de communicatieafdeling van mijn werkgever. Om te kijken hoe ik me daarin zou voelen. Het bleek een wereld van verschil. Ik ontdekte kwaliteiten van mezelf die ik anders nooit had durven onderkennen. Maar de tijd was beperkt, en daarna zou ik moeten terugkeren naar de schoonmaak.

Een aantal maanden eerder kwam ik per toeval in contact met prestatiecoach Jack Jansen, die zijn armen voor mij opende nadat ik hem op hulp vroeg. Ik werd op allerlei manieren uitgedaagd en een spiegeltje voorgehouden. Het kwam binnen.

Toen puntje bij paaltje kwam en ik aan de vooravond van een terugkeer in de schoonmaak stond, besloot ik, gesteund door Jack en door mijn vrouw, een punt achter het verleden te zetten en vol in te zetten op de toekomst. Zeker of onzeker. Het betekende meer tijd op de communicatieafdeling, maar ook een officieel afscheid van mijn baan, mijn inkomen en mijn werkgever.

En hier ben ik nu, hard aan het werk aan een carrière waarin ik wel tot mijn recht kom. Waarin ik wel gelukkig kan zijn. Elke dag neem je jezelf mee naar huis, en als je leeft met de last van een baan die je sloopt leidt je privéleven daar net zo goed onder. Genoeg is genoeg. Ik richt me nu op wat ik goed kan en hoop daar mede dankzij dit uitgebreide portfolio in websitevorm anderen van te overtuigen. De wereld is nog lang niet van me af.